Bij het stapelbouwsysteem leg je constructieonderdelen, zoals vloeren en balken, los op het kalkzandsteen. Deze koude oplegging is een rechtstreekse oplegging zonder hechting. Daardoor blijft er ruimte om verschillen in werking tussen bouwmaterialen op te vangen.
De meest voorkomende opleggingen zijn vloeropleggingen. Daarbij onderscheid je twee typen vloeren:
- prefab-vloeren, zoals kanaalplaatvloeren en ribcassettevloeren
- in het werk gestorte vloeren, zoals breedplaatvloeren
Hoe leg je prefab-vloeren op?
Je kunt prefab-vloeren koud opleggen zonder oplegmateriaal.
Heeft de oplegging een onvlakheid van meer dan 1 mm? Breng dan een uitvlaklaag aan met folie tussen de wand en de uitvlaklaag. Zo voorkom je hechting met de wand.
Prefab-vloeren gedragen zich stijf en blijven ongescheurd. Door de beperkte doorbuiging bij reguliere overspanningen blijft ook de rotatie bij de oplegging beperkt. Deze vloeren zijn bovendien vaak getoogd. Daardoor kan de wand de rotatie volgen zonder grote inklemmingsmomenten.
Hoe leg je in het werk gestorte vloeren op?
In het werk gestorte vloeren, zoals breedplaatvloeren, buigen in de praktijk meer door. Ze zijn niet getoogd en blijven niet ongescheurd.
Breng daarom altijd folie aan tussen beton en kalkzandsteen. Zo voorkom je hechting. Dat is nodig omdat vers beton tijdens het verharden krimpt. Zonder folie kunnen trekspanningen in het kalkzandsteen ontstaan, wat scheuren veroorzaakt.
Wat is het effect van inklemmingsmomenten?
Omdat vloer en wand niet aan elkaar hechten, kan de voeg tussen wand en vloer rekenkundig enigszins openstaan. Aan de zijde waar de voeg opent, ontstaat geen moment. Dat heeft een gunstig effect op het inklemmingsmoment.
Het zogenaamde afboeren van de kalkzandsteenwand, doordat de wand op de rand gaat liggen, komt in de praktijk niet voor.
Welke factoren beïnvloeden inklemmingsmomenten?
Verschillende factoren bepalen de grootte van het inklemmingsmoment:
- het gedrag van de vloer
- de wanddikte
- de wandhoogte
- de kwaliteit van de wand
De wand kan de doorbuiging van de vloer maar beperkt tegengaan en vervormt mee. Neemt de doorbuiging toe, dan neemt ook het inklemmingsmoment toe.
Je kunt dit compenseren met een dikkere wand of een wand van hogere kwaliteit. Een sterkere wand is echter stijver en wekt daardoor ook grotere inklemmingsmomenten op.
Hoe bepaal je de juiste combinatie van vervorming en capaciteit?
Gebruik hiervoor het VNK Statica-programma 6.0, module 5: ‘Dragende wanden in een geschoord raamwerk’.
Wat vraagt extra aandacht bij trapgaten en grote overspanningen?
Soms stopt een vloer ter plaatse van een trapgat in de wand en pas je een samendrukbare opleglaag toe. Door vervormingsverschillen tussen vloer en trapgat kunnen spanningen en scheurvorming in de wand ontstaan.
Bij dakvloeren met grote overspanningen kun je overwegen de belasting meer te centreren met centreerstrips. Zo voorkom je dat inklemmingsmomenten te groot worden ten opzichte van de normaalkracht.
Hoe voer je balk- en lateiopleggingen uit?
Welke opleglengte heb je nodig?
Houd minimaal deze opleglengtes aan:
- 200 mm bij openingen tot 2 meter
- 250 mm bij openingen groter dan 2 meter
Hoe werk je de oplegging van een latei af?
Pas aan beide zijden oplegfolie toe tussen de latei en het kalkzandsteen.
Heeft de oplegging een onvlakheid van meer dan 1 mm? Vlak deze dan uit met (lijm)mortel. Breng de folie onder de uitvlaklaag aan.
Is de onvlakheid aan de bovenzijde van de latei te groot? Gebruik dan altijd Calduran Metselfix® of Kimfix®, afhankelijk van de gewenste druksterkte.
Laat een latei of het lijmwerk op een latei nooit boven de wand uitsteken.
Werk de wand zo uit dat onder de oplegging een vol blok ligt. Daarmee leid je de krachten beter in het kalkzandsteen.
Hoe controleer je een oplegging van een latei of balk?
Gebruik hiervoor het VNK Statica-programma 6.0, module 3: ‘Oplegspanning bij een puntlast’.
Bron: Edwin van Alstede, bouwtechnisch adviseur Calduran.